Wordt een indemniteitsregeling voor Vlaamse musea noodzakelijk?

Willen onze Vlaamse musea topstukken naar hun museum halen, dan is een indemniteitsregeling hiervoor een geschikt instrument. Wat is de beste keuze?

Wordt een indemniteitsregeling voor Vlaamse musea noodzakelijk?

Musea beschikken over een vaste collectie en organiseren tijdelijke tentoonstellingen.

De kunstwerken kunnen eigendom zijn van zowel het museum – vaak een overheid – als van derden, vaak onder de vorm van korte of langdurige bruiklenen. De bruiklenen kunnen privaat zijn, maar ook publiek (meestal van andere musea uit binnen- of buitenland).

De risico’s verbonden aan het beheren, tonen en conserveren van kunstvoorwerpen zijn groot en talrijk. Naast brand, diefstal en waterschade zijn er nog talrijke andere risico’s waaronder manipulatie, transport, verdwijning, luchtvochtigheid, insecten en vandalisme.

De meeste van deze risico’s zijn verzekerbaar. Maar de kostprijs schrikt musea af. In veel gevallen worden enkel de bruiklenen verzekerd via een private verzekeraar, wat betekent dat kunstvoorwerpen die eigendom zijn van het museum (overheid) onverzekerd blijven. Bij schade betaalt in dat geval finaal de burger de prijs voor de restauratie, met de minwaarde wordt geen rekening gehouden. Bovendien kan de kostprijs van een private verzekering voor tijdelijke bruiklenen te hoog zijn, wat soms betekent dat bepaalde topstukken niet op een expo te zien zijn.

Een Vlaams indemniteitsdecreet

Om de ‘dure’ kostprijs van een kunstverzekering te vermijden werd in een groot aantal Europese landen een indemniteitsregeling uitgewerkt. De financiële risico’s verbonden aan het ‘tijdelijk’ tentoonstellen van kunstwerken in bruikleen wordt dan voor een groot deel gedragen door de overheid. Hierbij onderscheiden we een drietal varianten:

  • de meest uitgebreide waarborg is de 100% indemniteit waarbij de overheid het volledige schadebedrag ten laste neemt, meestal na aftrek van een vrijstelling in hoofde van de bruikleennemer, het museum;
  • bij de indemniteit voor het eerste risico draagt de overheid de schade tot een bepaald bedrag, meestal een percentage van de totale waarde van het kunstvoorwerp;
  • bij de indemniteit voor het residuele risico wordt de schade vergoed vanaf een bepaald bedrag.

In 2012 presenteert het Agentschap Kunsten en Erfgoed een conceptnota voor een indemniteitsdecreet van de Vlaamse Gemeenschap. Deze nota werd in 2014 geactualiseerd. Hierbij werd onderzocht of en op welke manier de musea binnen de Vlaamse Gemeenschap bij tijdelijke tentoonstellingen kunnen genieten van een Vlaamse indemniteitsregeling.

De conclusie van de nota sluit in grote lijnen aan bij wat de meeste andere Europese landen voorschrijven:

  • De indemniteitsregeling kan enkel gelden voor in bruikleen genomen kunstwerken voor tijdelijke tentoonstellingen. Tijdelijke tentoonstellingen in openlucht worden best buiten de regeling gehouden omwille van de hoge risicofactor.
  • De nota kiest voor een 100% indemniteitsregeling, vooral omdat hierdoor meer tentoonstellingen in aanmerking komen voor een regeling dan in geval van de twee andere modellen.
  • De totale waarde van de tijdelijke tentoonstelling moet voldoende hoog zijn opdat een 100% indemniteitsregeling voordeel oplevert tegenover bescherming via een private verzekeraar. Op basis van analyse van schades en kosten komen volgens de nota enkel tijdelijke tentoonstellingen met een totale waarde van meer dan 20 miljoen euro in aanmerking.
  • Op basis van het aantal tentoonstellingen die de Vlaamse musea afgelopen jaren organiseerde, kunnen op jaarbasis nooit meer dan 10 en eerder 5 tentoonstellingen genieten van deze indeminiteitsregeling.

Kanttekeningen bij een Vlaams indemniteitsdecreet

De indemniteitsregeling zoals voorgesteld in de conceptnota is dus voorbehouden aan een zeer beperkt aantal tijdelijke tentoonstellingen:

  • De kunstwerken die eigendom zijn van het museum (overheid) worden op geen enkel moment afgedekt door deze regeling. Begrijpelijk, aangezien de overheid moeilijk aan zichzelf kan uitkeren. Maar dit neemt het risico niet weg.
  • Tijdelijke bruiklenen voor een tentoonstelling in openlucht vallen uit de boot.
  • Langdurige bruiklenen komen enkel in aanmerking wanneer ze meerwaarde bieden aan het museum (o.a. het tijdelijk versterken van de internationale uitstraling).
  • Tijdelijke bruiklenen met een totale waarde van minder dan 20 miljoen euro (som van alle in bruikleen genomen kunstvoorwerpen) komen niet in aanmerking.
  • Uit de nota blijkt ook dat de er beperkingen zijn voor de waarborgen door de overheid. In welke mate de waarborgen via een indemniteitsregeling zich verhouden tegenover een uitgebreide ‘alle risico’ polis via een private verzekeraar, hangt vooral af van de verdere uitwerking van de indemniteitsregeling.

Het voorstel in de conceptnota doet bijgevolg aan zware anti-selectie.

Het plan kan echter haar nut hebben voor curatoren die dure topstukken naar hun expo willen halen, maar de verzekeringspremie niet kunnen betalen. Bij de bruikleen van exclusieve kunstwerken zijn de voorwaarden op vlak van beveiliging en omgevingsfactoren vaak zó streng dat de indemniteitsregeling niet alleen een budgettair voordeel kan opleveren, maar ook de garantie om die kunstwerken in de meest optimale omstandigheden te tonen.

De conceptnota verwijst naar schadestatistieken van een groot aantal Vlaamse musea. Gekoppeld aan een gemiddelde premievoet van 0,8°/°° resulteert dit in een S/P (verhouding schade tegenover premie) van 6% (zie tabel hieronder).

tabel indemniteitsregeling

De statistiek van de gerapporteerde tentoonstellingen toont in detail aan dat er op geen enkel ogenblik een schadegeval was waarbij het uitbetaalde schadebedrag > 25.000 EUR bedroeg, terwijl er kunstwerken werden verzekerd van ettelijke miljoenen euro’s waarde. Bij totaal verlies van één dergelijk werk zou het totale premievolume van 1.874.250 EUR van de acht gemeten jaren in één klap ruimschoots worden opgesoupeerd.

Het belang van verzekeringsoplossingen via private verzekering

De indemniteitsregeling biedt een oplossing voor tijdelijke tentoonstellingen met werken die een waarde hebben van enkele tientallen miljoenen. Een gemiddelde premievoet van 0,8°/°° op de te verzekeren waarde lijkt aanvaardbaar, maar de schadestatistiek leert ons dat er marge is. Vooral voor kleinere en middelgrote tentoonstellingen (waar een catastroferisico nauwelijks mogelijk is omwille van de lagere verzekerde waarden en de premievoet meestal hoger is dan 0,8°/°°) is er ruimte voor verlaging van de premievoet. Maar de schadestatistiek hierboven doet vermoeden dat er ook nog ruimte moet zijn voor premievermindering bij grote tentoonstellingen.

Wanneer musea bereid zijn om meer te verzekeren (inclusief langdurige bruiklenen en meer werken die in het bezit zijn van het museum/overheid) verruimt de verzekeringsmarkt en dalen de premievoeten.

Belangrijk is dat de verzekeringsmarkt voldoende uitgedaagd wordt, niet alleen door meer kunstverzekeraars, maar ook door meer gespecialiseerde verzekeringsmakelaars in kunstverzekering. Zij bieden de beste garantie voor de ruimste dekkingen en een goede dienstverlening tegen de meest concurrentiële verzekeringspremies.

De verzekeringsmarkt binnen het museale landschap heeft vandaag dringend nood aan meer dan één verzekeringsmakelaar om de verzekeringspremies voor musea onder controle te houden en een goede dienstverlening te blijven garanderen.

Besluit

Willen onze Vlaamse musea topstukken naar hun museum halen, dan is een indemniteitsregeling hiervoor een geschikt instrument.

De beste keuze is dan indemniteit voor het eerste risico, omdat de catastrofes best niet gedragen worden door de overheid – lees: ons belastinggeld. Deze taak ligt eerder op de private verzekeringsmarkt, waar de premies trouwens een heel pak lager liggen dan voor een dekking ‘inclusief eerste risico’.

Voor alle andere verzekerbare risico’s kunnen musea meerdere verzekeringsmakelaars bevragen en zo de beste tarieven onderhandelen.

‘Shared liability’ is naast een indemniteitsregeling en private verzekering een derde alternatief. Volgens deze methode spreken de bruikleengever en -nemer vooraf af voor welke risico’s de bruikleennemer aansprakelijk is. Enkele Vlaamse musea passen die techniek vandaag reeds toe.

Ten slotte kunnen musea van de Vlaamse gemeenschap gezamenlijk een verzekeringstender uitschrijven naar verzekeraars en makelaars. Een dergelijke openbare aanbesteding brengt heel wat voorbereiding met zich mee en is kostelijk. Daarenboven is het een evenwichtsoefening tussen prijs, waarborgen en dienstverlening waarbij de laagste prijs vaak ten koste gaat van waarborgen en dienstverlening. De inhoud van een dergelijke tender is bijgevolg doorslaggevend en verdient bijstand van een consultant als de Vlaamse Gemeenschap en het betrokken museum niet willen achterblijven met een (financiële) kater.

Meer informatie?

Wenst u meer informatie over deze materie? Contacteer Jan Van Hecke via jan.vanhecke@vanbreda.be of via 0473 98 51 31.